mic+ ultrasone sensoren

Sensorbild - Matrix

Overzicht

mic+ sensoren zijn er in vier verschillende uitvoeringen en met vijf bedrijfsdetectiewijdten verkrijgbaar.

sensor line as pdf
online catalogue as pdf

Hoogtepunten

  • Digitaal display met directe meetwaarde weergave in mm, cm of %
  • Numerieke instelling van de sensor via het digitale display maakt het mogelijk de sensor vooraf volledig in te stellen
  • Automatische synchronisatie en multiplexmodus voor gelijktijdig gebruik van maximaal tien sensoren in een zeer kleine ruimte

Basiskenmerken

  • 1 of 2 schakeluitgangen in pnp- of npn-uitvoering
  • Analoge uitgang 4–20 mA en 0–10 V met automatische omschakeling tussen stroom- en spanningsuitgang
  • Analoge uitgang plus 1 pnp-schakeluitgang
  • 5 detectiewijdtes met een meetgebied van 30 mm tot 8 m
  • microsonic-Teach-in via toetsen T1 of T2
  • Resolutie van 0,025 mm tot 2,4 mm
  • Temperatuurcompensatie voor nauwkeurige
  • Bedrijfsspanning 9–30 V
  • LinkControl voor het instellen van de sensoren met een PC

Beschrijving

De mic+ sensorfamilie

in de M30-behuizingsconstructie bestrijkt met haar vijf aftastwijdten een meetgebied van 30 mm tot 8 m. Afhankelijk van de detectiewijdte bedraagt de interne resolutie van de afstandsmeting 0,025 of 2,4 mm. Alle sensoren beschikken over een geïntegreerde temperatuurcompensatie.

TouchControl met LED-aanwijzing, Wikkeldiameterdetectie bij lamineermachine

Vier verschillende uitgangstrappen

staan ter beschikking voor alle vijf aftastwijdten:

1 schakeluitgang, naar keuze in pnp- of npn-schakeltechniek
2 schakeluitgangen, naar keuze in pnp- of npn-schakeltechniek
1 analoge uitgang 4–20 mA en 0–10 V
1 analoge uitgang met een extra pnp-schakeluitgang

Met TouchControl

worden alle instellingen aan de sensoren uitgevoerd. De goed afleesbare LEDaanwijzing met drie cijfers toont constant de actuele afstandswaarde en schakelt automatisch tussen mm- en cm-aanwijzing over. Met twee tasters die onder de LED-aanwijzing zijn aangebracht, wordt de parametrisering opgeroepen en de zelfverklarende menustructuur doorlopen.
Voor de schakelpunten van de schakeluitgangen en de venstergrenzen voor de analoge uitgang kan door middel van de digitale aanwijzing een numerieke voorinstelling worden uitgevoerd zonder dat het af te tasten object zich daarvoor in het detectiebereik moet bevinden. Daardoor is het mogelijk de sensor zonder gebruikmaking van hulpreflectoren, ook buiten de eigenlijke applicatie, compleet in te stellen.

Twee driekleuren-LED’s

wijzen steeds de actuele toestand van de schakeluitgangen resp. van de analoge uitgang aan.

Verdere extra functies (add-ons)

worden binnen de TouchControl-menustructuur als optie beschikbaar gesteld: De gemeten afstandswaarde kan bijvoorbeeld met de tientraps softwarefilter van F00 (directe meetwaarde-uitvoer zonder filterwerking) tot F09 (zeer sterke filtering en meetwaardedemping) worden verwerkt. Een hoge meetwaardedemping is nuttig bij niveaumetingen met golfbewegingen of in situaties waarin sporadisch voorwerpen tussen de sensor en het eigenlijke meetoppervlak heen en weer kunnen vliegen. Standaard is de filterwaarde F01 ingesteld. Bijgevolg zijn de sensoren af fabriek voor snel telen regelwerk vooringesteld. Als verdere extra functies kunnen desgewenst de schakelhystereses van de schakeluitgangen in hun standaardinstellingen worden veranderd. De LED-aanwijzing kan permanent  worden uitgeschakeld of verduisterd.

De analoge sensoren

controleren de bij de uitgang aangesloten last en schakelen afhankelijk van hun weerstandswaarde automatisch op 4–20 mA stroomuitgang resp. 0–10 V spanningsuitgang over. De controle van de last door de sensor vindt steeds met het inschakelen van de bedrijfsspanning plaats.

In het add-on menu van TouchControl kan de gebruiker de sensor echter ook vast op stroom- of spanningsuitgang instellen. Daar kan de meetwaarde-uitvoer op de LED-aanwijzing bij de analoge sensoren bovendien op een %-aanwijzing worden omgeschakeld. De venstergrenzen van de analoge karakteristiek corresponderen dan met de 0%- resp. 100%-waarde.

De synchronisatie

van maximaal tien sensoren werkt automatisch ook in een mengconfiguratie met sensoren met verschillende aftastwijdten. De sensor met de grootste aftastwijdte bepaalt dan de meetherhalingsfrequentie. Als de sensoren via pin 5 van de ronde connector M12 elektrisch met elkaar zijn verbonden, is de synchronisatie actief.
Bij synchrone verwerking meten alle sensoren exact op hetzelfde tijdstip. Bij kleinere montageafstanden van de sensoren ten opzichte van elkaar kan een sensor ook echosignalen van een naburige sensor ontvangen.

Hiervan kan gebruik worden gemaakt om bijv. het detectiebereik van een sensor te verbreden.

Synchronisatie via pin 5

Moeten er meer dan 10 sensoren gesynchroniseerd worden, dan kan dit met de als accessoire verkrijgbare SyncBox1 gerealiseerd worden.

In de multiplex-werkwijze

kan elke sensor alleen echosignalen van zijn eigen zendimpuls ontvangen, waardoor een wederzijdse beïnvloeding van de sensoren (overspraak) volledig wordt voorkomen.

In het Add-on menu kan aan elke sensor ook een adres van 1 tot 10 worden toegekend. Dan werken de sensoren in de multiplexmodus en voeren hun metingen na elkaar in klimmende volgorde van de adressen uit.

Het instellen van een schakeluitgang of analoge uitgang

gebeurt naar keuze door de numerieke invoer van de gewenste afstandswaarden (zie grafiek links onderaan) of door middel van een teach-in proces (zie deze bladzijde). Daardoor kan de gebruiker de instelmethode selecteren waaraan hij de voorkeur geeft.

Bij de microsonic Teach-in

dient het te detecteren object op de gewenste afstand ten opzichte van de sensor te worden geplaatst en de toets die bij de uitgang hoort, zolang te worden ingedrukt tot op de LED-aanwijzing (  resp. )  verschijnt. Tenslotte dient het teach-in proces te worden bevestigd door nogmaals kort op de toets te drukken. Klaar.

Teach-in van een schakelpunt

Voor het instellen van een analoge uitgang

dient het te detecteren object eerst op de dichtbij de sensor gelegen venstergrens  te worden gepositioneerd en de toets die bij de uitgang hoort, zolang te worden ingedrukt tot de aanwijzing de mededeling  verschijnt. Vervolgens dient het af te tasten object naar de ver van de sensor gelegen venstergrens te worden verschoven en het teach-in proces te worden besloten door nogmaals kort op de toets te drukken. Klaar.
Voor het instellen van een venster met twee schakelpunten gaat u bij een schakeluitgang op dezelfde manier te werk.

Teach-in van een analoge karakteristiek resp. van een venster met twee schakelpunten

Opener/Sluiter

voor de schakeluitgangen en klimmende/dalende karakteristiek voor de analoge sensoren kunnen eveneens met behulp van het teach-in proces worden ingesteld.
Hiertoe dient de bij de uitgang behorende toets zolang te worden ingedrukt tot het symbool   resp. in de aanwijzing verschijnt. Telkens als de toets weer wordt ingedrukt, vindt een wisseling plaats tussen de instellingen opener/sluiter (  )  resp. klimmend/dalend  (  /  ).  Na ca. 10 seconden wordt de nieuwe instelling automatisch overgenomen.

LinkControl

bestaat uit de LinkControl adapter en de LinkControl software; hiermee is het instellen van de mic+-sensoren met behulp van PC of Laptop en alle gebruikelijke Windows®-systeemprogrammaturen mogelijk.
Alle instellingen uit het Touch-Control menu kunnen tijdens het werk worden uitgelezen, op de PC geëditeerd, tussentijds opgeslagen en weer in de sensor worden opgeslagen. Vooral de twee meetwaardeschrijvers ter visualisering van de afstandswaarden zijn van grote waarde bij de ontwikkeling van oplossingen voor complexe automatiseringsapplicaties (zie ook het hoofdstuk Accessoires ).

Sensor via LCA-2 voor programmering op de PC aangesloten

Pin assignment

Pin PNP NPN PNP NPN Analog­ue output
1 PNP output
+ Analogue
Colour code of
sensor cable
1 +UB +UB +UB +UB +UB +UB brown
3 -UB -UB -UB -UB -UB -UB blue
4 D E D2 E2 - D black
2 - - D1 E1 I/U I/U white
5 COM COM COM COM COM COM grey

View on connector


Instelling

Numerieke instelling via LED-aanwijzing

Druk beide toetsen zolang in tot op de LED-aanwijzing Pro voor programmering verschijnt. Selecteer de in te stellen uitgang (d1, d2 of IU, afhankelijk van het sensortype). Stel het schakelpunt (resp. de venstergrens dichtbij de sensor bij een analoge uitgang) op de LED-aanwijzing in mm/cm in. Als bij de schakeluitgang venster-werkwijze wordt gewenst, stelt u nog de achterste venstergrens (resp. bij een analoge uitgang de venstergrens ver van de sensor) in mm/cm in. Selecteer opener / sluiter (resp. dalende / stijgende karakteristiek bij een analoge uitgang). Klaar.

Voor de numerieke invoer hoeft het af te tasten object zich niet in het detectiebereik van de sensor te bevinden!

Top