De detectiebereiken

Het voornaamste criterium

voor de keuze van een ultrasone sensor is de detectiewijdte en het daaraan verbonden driedimensionale detectiebereik van de sensor.

Bij het meten worden verscheidene normale reflectoren van buiten en van opzij in het detectiebereik gebracht en worden de plaatsen gemarkeerd waar de reflector door de sensor gedetecteerd wordt.

De rode bereiken

worden met een dunne ronde staaf (Ø 10 mm of 27 mm, naargelang het type sensor) uitgemeten. Ze geven het typische werkbereik van een sensor weer.

Om de blauwe bereiken te verkrijgen

wordt van opzij en van buiten een plaat (500 x 500 mm) in de geluidsvelden gebracht. Hierbij wordt steeds de optimale hoek van de plaat t.o.v. de sensor ingesteld. Dit is bijgevolg het maximale detectiebereik van de sensor. Buiten de blauwe detectiekegel is een analyse van ultrasone geluidsreflecties niet meer mogelijk.

Een reflector met slechtere reflecterende eigenschappen dan de ronde staaf wordt door de sensoren gedetecteerd in een bereik dat kleiner is dan hun rode werkbereik. Een reflector met betere reflecterende eigenschappen daarentegen, zal een detectiebereik hebben dat qua grootte tussen het rode en het blauwe detectiebereik ligt.

De kleinste toegestane detectiewijdte wordt bepaald door de blinde zone van een sensor. Binnen de blinde zone mogen zich geen objecten of storende reflectoren bevinden, aangezien dat tot verkeerde metingen kan leiden.

De bedrijfsdetectiewijdten in

de diagrammen geven aan tot welke afstand de ultrasone sensor op gebruikelijke reflectoren kan meten met voldoende functiereserve. Bij goede reflectoren kan de sensor ook tot aan zijn grensdetectiewijdte worden gebruikt. De grensdetectiewijdte is altijd groter dan de bedrijfsdetectiewijdte. De diagrammen gelden voor 20 °C, een relatieve luchtvochtigheid van 50 % en een normale druk.

0,07 m 0,7 m 
0,15 m 1,0 m 
0,24 m 1,3 m 
0,25 m 3,4 m 
0,35 m 6,0 m 
Deze symbolen geven in de technische gegevens de bedrijfsdetectiewijdtes van de ultrasone sensoren van microsonic aan.

De demping van het geluid in de lucht

is afhankelijk van de luchttemperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de luchtdruk. De fysische verbanden zijn complex en lopen uiteen voor de verschillende ultrasone frequenties. Eenvoudig gesteld neemt de demping in de lucht toe bij een stijgende temperatuur en een stijgende luchtvochtigheid. De detectiebereiken verkleinen dan. Bij een dalende temperatuur en een kleinere luchtvochtigheid neemt de demping in de lucht af en worden de detectiebereiken bijgevolg groter.

De verkleining van de detectiebereiken wordt in grote mate opgevangen door de functiereserve. Bij temperaturen kleiner dan 0 °C kunnen sommige sensoren soms wel twee keer zo ver meten dan hier aangegeven.

Als de luchtdruk stijgt, neemt de demping in de lucht beduidend af. Hiermee dient men rekening te houden bij toepassingen met overdruk. In vacuüm is een geluidsuitbreiding niet mogelijk.

De detectiebereiken op verschillende afstanden

0,15 m

0,15 m

0,24 m

0,24 m

0,25 m

0,25 m

0,35 m

0,35 m

0,7 m

0,7 m

1,0 m

1,0 m

1,3 m

1,3 m

3,4 m

3,4 m

6,0 m

6,0 m